Op 24 mei j.l. vond bij CLC-VECTA in Breukelen een bijeenkomst plaats met als onderwerp belastingzaken die voor onze branche van belang zijn. De bijeenkomst stond onder leiding van Willem Buitendijk van onze partner Ernst & Young. Willem, tot voor enige jaren werkzaam bij de belastingdienst, gaf een overzicht van vooral BTW zaken, zowel nationaal als internationaal.
De laatste voor de branche belangrijke wetswijziging m.b.t. BTW heeft plaatsgevonden per 1 januari 2010 waar in het bijzonder een vereenvoudiging van het plaats van dienst beginsel heeft plaatsgevonden:
Als hoofdregel geldt nu de plaats waar de afnemer gevestigd is. Voor culturele activiteiten geldt de plaats waarde activiteit plaatsvindt. Hoewel afstemming van bepalingen tussen de diverse EU landen in een aantal gevallen handig zou zijn, is dit in de praktijk niet het geval. Zo is het terugvorderen van BTW vanuit Frankrijk heel anders dan vanuit bijv. Duitsland en Engeland. Europese richtlijnen moeten worden geïmplementeerd in de diverse lidstaten, maar er zijn naast de “must” richtlijnen diverse zogenaamde “kan” richtlijnen waar binnen staten de autoriteit hebben afwijkende maatregelen te treffen. Het is dus zaak per land de verschillende opties goed in beeld te krijgen.
Maar ook binnen de Nederlandse BTW wetgeving valt nog voldoende te winnen via een nauwkeurige interpretatie: bijvoorbeeld bij cateringdiensten; het verschil tussen het leveren van een maaltijd versus het verrichten van de dienst.
Een ander heikel punt in onze branche is het omgaan met inleenkrachten via uitzendorganisaties of het werken met onderaannemers. De inlener/hoofdaannemer is aansprakelijk voor de afdracht van de BTW: het is in verreweg de meeste gevallen verstandig reeds bij het maken van de afspraken de BTW te verleggen en/of gebruik te maken van G-rekeningen. Ook buitenlandse uitzendorganisaties kunnen in Nederland loonbelastingplichtig zijn, waarvoor Nederlandse inleners aansprakelijk kunnen zijn. Bij kortdurende werkzaamheden blijkt dit risico voor de inleners materieel veelal beperkt te zijn. Ook buitenlandse uitzendorganisaties kunnen in Nederland een zogenaamde G-rekening openen, waarmee het volledig risico voor inleners kan worden voorkomen.
Voor wat betreft de verleggingsregeling bij werkzaamheden met onderaannemers is de stelling ingenomen, dat deze veelal van toepassing zal zijn. Voor toepassing dienen de werkzaamheden wel te worden verricht ten aanzien van onroerende zaken. Veelal zal hiervan sprake zijn, maar er kan discussie bestaan over de vraag of bijvoorbeeld standbouwers werkzaamheden verrichten ten aanzien van onroerende zaken. Bij twijfel is het advies om als (hoofd)aannemer de verleggingsregeling toe te passen. Wellicht is dit een aspect om aan het ministerie voor te leggen met het verzoek hierin duidelijkheid te verschaffen.
Let bovendien goed op de identificatieplicht voor alle medewerkers die onder verantwoordelijkheid van de inlener of hoofdaannemer werken. De inlener/hoofdaannemer is verplicht zelf voor het kopiëren van het paspoort zorg te dragen.
Ook de BUA wetgeving brengt nog vele interpretatie mogelijkheden. Ook blijkt het BUA niet altijd te worden toegepast, hetgeen risico op naheffing oplevert.
Met de invoering van de werkkostenregeling wordt een deel van de problematiek opgelost. Dit najaar, dan wel volgend voorjaar, zal op verzoek van onze leden een meeting worden georganiseerd over de werkkosten regeling.
Tot slot van de bijeenkomst is een casus behandeld van een van onze leden uit de congresorganisatie sector over een verschil in voorwaarden waaraan “BTW verplichte ondernemers” moeten concurreren met rechtspersonen die niet als ondernemer worden behandeld voor BTW. Denk aan afdelingen van wetenschappelijke instellingen die werken in hetzelfde segment als de ‘BTW onderneming”. Dit verschil levert de laatste een concurrentie nadeel van 19% op. Het feit dat scholingsinstituten, middels al dan niet registratie in het CRKBO-register, tegenwoordig zelf kunnen bepalen binnen welk regime ze vallen, is al een verbetering. Echter, de problematiek rondom de uitvoering voor deze keuze, lijkt toch nog een verschil in behandeling en daardoor oneigenlijke concurrentie op te leveren.
Willem Buitendijk die, zoals hij ons meldde, de bijeenkomst zeer nuttig en interessant vond, is graag bereid op specifieke vragen van onze leden in te gaan.